At-Tur - DE KORAN - Harun Yahya
-
1. Bij de berg (Sinaï).
-
2. Bij een geschreven Boek.
-
3. In een opengerold perkament.
-
4. Bij het veel bezochte Huis (de Ka`bah).
-
5. En het opgeheven gewelf (de hemel).
-
6. En de kolkende zee.
-
7. Voorwaar, de bestraffing van jouw Heer zal zeker plaatsvinden.
-
8. Niemand kan hem tegenhouden.
-
9. Op de Dag waarop de hemel heftig beeft.
-
10. En de bergen zich verplaatsen.
-
11. Wee op die Dag de loochenaars.
-
12. Degenen die zich vermaken met ijdelheden.
-
13. Op die Dag zullen zij met geweld naar de Hel worden geduwd.
-
14. (En er zal gezegd worden:) "Dit is de Hel die jullie plachten te loochenen.
-
15. Is dit dan toverij? Of kunnen jullie niet zien?
-
16. Gaat haar binnen en weest geduldig of weest ongeduldig; het zal voor jullie niets uitmaken. Voorwaar, jullie worden slechts vergolden naar wat jullie plachten te verrichtten."
-
17. Voorwaar, de Moettaqôen bevinden zich in Tuinen (het Paradijs) en in genietingen.
-
18. Zich verheugend over wat hun Heer hun heeft gegeven. En hun Heer heeft hen behoed voor de straf van de Hel.
-
19. (Er wordt gezegd:) "Eet en drinkt smakelijk wegens wat jullie plachten te verrichten."
-
20. Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met schone maagden.
-
21. En degenen die geloven en die in het geloof gevolgd worden door hun nakomelingen: Wij voegen hun nakomelingen bij hen en Wij verminderen (de beloning voor) hun daden niet. Ieder mens staat borg voor wat hij verrichtte.
-
22. En Wij geven hun vruchten en vlees, van welke soort zij wensen.
-
23. Zij reiken daar elkaar een beker aan waarbij geen onzin en geen zondigheid is.
-
24. En onder hen gaan jongelingen rond die lijken op welbewaarde parels.
-
25. Zij zullen zich tot elkaar wenden en elkaar vragen stellen.
-
26. Zij zeggen: "Voorwaar, wij waren vroeger temidden van onze verwanten bevreesd (voor Allah).
-
27. Allah begenadigde ons toen en Hij behoedde ons voor de bestraffing van de verschroeiende wind.
-
28. Voorwaar, Wij plachten Hem vroeger aan te roepen: voorwaar, Hij is de Weldoener, de Meest Barmhartige."
-
29. Vermaan daarom, jij bent door de Genade van jouw Heer geen waarzegger en geen bezetene.
-
30. Of zeggen zij: "Een dichter, wij wachten af of het noodlot hem met ongeluk zal treffen."
-
31. Zeg (O Moehammad): "Wacht maar af: voorwaar, Ik behoor met jullie tot de afwachtenden."
-
32. Of beveelt hun verstand hun dit, of zijn zij een overtredend volk?
-
33. Of zeggen zij: "Hij heeft hem (de Koran) verzonnen"? Nee, zij geloven niet.
-
34. Laten zij dan een bericht brengen dat daaraan gelijk is, als zij waarachtigen zijn.
-
35. Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers?
-
36. Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Zelfs zij zijn er niet van overtuigd.
-
37. Of bevinden zich bij hen de schaften van jouw Heer, of hebben zij de heerschappij?
-
38. Of beschikken zij over een ladder (die tot in de hemel reikt) waarop zij kunnen afluisteren? Laat dan de afluisteraar onder hen met een duidelijk bewijs komen.
-
39. Of zijn voor Hem de dochters en voor jullie de zonen?
-
40. Of vraag jij van hen een beloning, zodat zij belast zijn met een schuld?
-
41. Of is bij hen het onwaarneembare, zodat zij het kunnen opschrijven?
-
42. Of willen zij een list beramen? Degenen die niet geloven zijn degenen die in een list versrikt raken.
-
43. Of hebben zij een andere god dan Allah? Heilig is Allah, boven de deelgenoten die zij (Hem) toekennen.
-
44. En als zij een stuk uit de hemel (zouden) zien neerstorten, dan zeggen zij: "Stapelwolken."
-
45. Laat hen maar, totdat zij hun Dag ontmoeten waarop zij door de bliksemslag getroffen zullen worden.
-
46. Op die Dag zal hun list niets baten, en zij zullen niet worden geholpen.
-
47. En voorwaar, voor degenen die onrecht pleegden is er daarnaast nog een bestraffing, maar de meesten van hen weten het niet.
-
48. Wees geduldig met de beschikking van jouw Heer. Voorwaar, jij bent in Onze Ogen. En prijs de Glorie van jouw Heer wanneer jij staat.
-
49. En in de nacht, prijst Zijn Glorie, en (ook) bij het vervagen van de sterren (in de vroege ochtend).
DEEL
1
Al-Faatiha
2
Al-Baqara
3
Aal-i-Imraan
4
An-Nisaa
5
Al-Maaida
6
Al-An'aam
7
Al-A'raaf
8
Al-Anfaal
9
At-Tawba
10
Yunus
11
Hud
12
Yusuf
13
Ar-Ra'd
14
Ibrahim
15
Al-Hijr
16
An-Nahl
17
Al-Israa
18
Al-Kahf
19
Maryam
20
Taa-Haa
21
Al-Anbiyaa
22
Al-Hajj
23
Al-Muminoon
24
An-Noor
25
Al-Furqaan
26
Ash-Shu'araa
27
An-Naml
28
Al-Qasas
29
Al-Ankaboot
30
Ar-Room
31
Luqman
32
As-Sajda
33
Al-Ahzaab
34
Saba
35
Faatir
36
Yaseen
37
As-Saaffaat
38
Saad
39
Az-Zumar
40
Al-Ghaafir
41
Fussilat
42
Ash-Shura
43
Az-Zukhruf
44
Ad-Dukhaan
45
Al-Jaathiya
46
Al-Ahqaf
47
Muhammad
48
Al-Fath
49
Al-Hujuraat
50
Qaaf
51
Adh-Dhaariyat
52
At-Tur
53
An-Najm
54
Al-Qamar
55
Ar-Rahmaan
56
Al-Waaqia
57
Al-Hadid
58
Al-Mujaadila
59
Al-Hashr
60
Al-Mumtahana
61
As-Saff
62
Al-Jumu'a
63
Al-Munaafiqoon
64
At-Taghaabun
65
At-Talaaq
66
At-Tahrim
67
Al-Mulk
68
Al-Qalam
69
Al-Haaqqa
70
Al-Ma'aarij
71
Nooh
72
Al-Jinn
73
Al-Muzzammil
74
Al-Muddaththir
75
Al-Qiyaama
76
Al-Insaan
77
Al-Mursalaat
78
An-Naba
79
An-Naazi'aat
80
Abasa
81
At-Takwir
82
Al-Infitaar
83
Al-Mutaffifin
84
Al-Inshiqaaq
85
Al-Burooj
86
At-Taariq
87
Al-A'laa
88
Al-Ghaashiya
89
Al-Fajr
90
Al-Balad
91
Ash-Shams
92
Al-Lail
93
Ad-Dhuhaa
94
Ash-Sharh
95
At-Tin
96
Al-Alaq
97
Al-Qadr
98
Al-Bayyina
99
Az-Zalzala
100
Al-Aadiyaat
101
Al-Qaari'a
102
At-Takaathur
103
Al-Asr
104
Al-Humaza
105
Al-Fil
106
Quraish
107
Al-Maa'un
108
Al-Kawthar
109
Al-Kaafiroon
110
An-Nasr
111
Al-Masad
112
Al-Ikhlaas
113
Al-Falaq
114
An-Naas