Al-Qalam - DE KORAN - Harun Yahya
-
1. Nôen. Bij de pen en wat zij schrijven.
-
2. Jij bent dankzij de gunst van jouw Heer geen bezetene.
-
3. En voorwaar, voor jou is er zeker een beloning zonder onderbreking.
-
4. En voorwaar, jij beschikt over een hoogstaand karakter.
-
5. Jullie zullen zien en zij zullen zien.
-
6. Wie van jullie de (met bezetenheid) beproefde is.
-
7. Voorwaar, jouw Heer weet het beste wie van Zijn Weg is afgedwaald en Hij kent het beste de rechtgeleiden.
-
8. Gehoorzaam daarom de loochenaars niet.
-
9. Zij wensen dat jij toegeeflijk zal worden, dan zullen zij (ook) toegeeflijk worden.
-
10. En gehoorzaam geen enkele verachtelijke edenzweerder.
-
11. Een lasteraar die rondloopt met roddelpraat.
-
12. Een tegenhouder van het goede, buitensporig, zondig.
-
13. Die daarnaast ook nog een bruut is, en bastaard.
-
14. (Hij is ongelovig) omdat hij een bezitter van rijkdom en zonen is.
-
15. Wanneer Onze Verzen aan hem voorgedragen worden, dan zegt hij: "Fabels van de vroegeren."
-
16. Wij zullen hem brandmerken op zijn snuit.
-
17. Wij hebben hen beproefd zoals Wij de bezitters van de tuin hebben beproefd, toen zij zwoeren in de morgen van haar (vruchten) te zullen plukken.
-
18. Maar zij maakten geen voorbehoud.
-
19. Toen ging er een bezoeking (storm) van jouw Heer in haar rond, terwijl zij sliepen.
-
20. Zij werd als een verschroeid stoppelveld.
-
21. Toen riepen zij tot elkaar in de ochtend.
-
22. "Gaat deze ochtend naar jullie akkers, als jullie van plan zijn om te oogsten."
-
23. Zo vertrokken zij, terwijl zij naar elkaar fluisterden.
-
24. (Zij zeiden:) "Laat er deze dag geen enkele arme bij jullie binnengaan."
-
25. En zij vertrokken die ochtend, vastbesloten om (de armen) te weren.
-
26. Maar toen zij haar (de tuin) zagen, zeiden zij: "Voorwaar, wij zijn zeker dwalenden.
-
27. Wij zijn zelfs beroofd."
-
28. De meest wijze onder hen zei: "Heb ik jullie niet gezegd dat jullie de Glorie (van Allah) hadden moeten prijzen!"
-
29. Zij zeiden: "Heilig is onze Heer: voorwaar, wij waren onrechtvaardig."
-
30. Toen keerde de ene groep zich tegen de andere, elkaar verwijten makend.
-
31. Zij zeiden: "Wee ons! Voorwaar, wij waren buitensporig.
-
32. Hopelijk zal onze Heer ons een betere (tuin) in de plaats van deze geven: voorwaar, wij hopen vurig (op vergeving) van onze Heer."
-
33. Zo was de bestraffing. En de bestraffing in het Hiernamaals is zeker groter, als zij het zouden weten!
-
34. Voorwaar, voor de Moettaqôen zijn er bij hun Heer Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).
-
35. Zullen Wij hen die zich aan Allah hebben overgegeven net zo behandelen als de misdadigers?
-
36. Wat is er met jullie? Hoe oordelen jullie?
-
37. Of hebben jullie een Schrift waar jullie in kunnen studeren?
-
38. Waar waarlijk voor jullie in is wat jullie kiezen?
-
39. Of hebben jullie een verdrag met Ons dat tot aan de Dag der Opstanding geldt, dat er waarlijk voor jullie is wat jullie oordelen?
-
40. Vraag hun wie van hen daarvoor verantwoordelijk is.
-
41. Of beschikken zij over deelgenoten? Laat zij dan komen met kun deelgenoten, als zij waarachtig zijn.
-
42. (Gedenkt) de Dag waarop de onderbenen ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om neer te knielen, terwijl zij daartoe niet in staat zijn.
-
43. Hun ogen zullen angstig teneergeslagen zijn, vernedering zal hen bedekken. En waarlijk, zij werden opgeroepen om zich neer te knielen, terwijl zij (nog) gezond waren.
-
44. Laat daarom degene die deze Boodschap loochent aan Mij over. Wij zullen hen langzaam maar zeker vernietigen, op een manier dat zij het niet merken.
-
45. En ik zal kun uitstel geven. Voorwaar, Mijn plan is sterk.
-
46. Of vraag jij van hen een beloning, zodat zij met een schuld worden belast?
-
47. Of is bij hen (kennis) van het onwaarneembare, zodat zij het kunnen opschrijven?
-
48. Wees daarom geduldig tot het Oordeel van jouw Heer komt, en wees niet als de Profeet Yôenoes, toen hij (tot Allah) riep terwijl hij verbolgen was.
-
49. Als hem van zijn Heer geen genade bereikt had, dan was hij zeker op een kwade plaats neer gesmeten, met verwijten beladen.
-
50. Daarna verkoos zijn Heer hem en maakte Hij hem tot één van de rechtschapenen.
-
51. En bijna zouden degenen die niet geloven jou omwerpen met hun blikken, wanneer zij de Vermaning horen. En zij zeggen: "Voorwaar, hij is zeker bezeten."
-
52. Terwijl hij (de Koran) niets anders is dan een Vermaning voor de werelden.
DEEL
1
Al-Faatiha
2
Al-Baqara
3
Aal-i-Imraan
4
An-Nisaa
5
Al-Maaida
6
Al-An'aam
7
Al-A'raaf
8
Al-Anfaal
9
At-Tawba
10
Yunus
11
Hud
12
Yusuf
13
Ar-Ra'd
14
Ibrahim
15
Al-Hijr
16
An-Nahl
17
Al-Israa
18
Al-Kahf
19
Maryam
20
Taa-Haa
21
Al-Anbiyaa
22
Al-Hajj
23
Al-Muminoon
24
An-Noor
25
Al-Furqaan
26
Ash-Shu'araa
27
An-Naml
28
Al-Qasas
29
Al-Ankaboot
30
Ar-Room
31
Luqman
32
As-Sajda
33
Al-Ahzaab
34
Saba
35
Faatir
36
Yaseen
37
As-Saaffaat
38
Saad
39
Az-Zumar
40
Al-Ghaafir
41
Fussilat
42
Ash-Shura
43
Az-Zukhruf
44
Ad-Dukhaan
45
Al-Jaathiya
46
Al-Ahqaf
47
Muhammad
48
Al-Fath
49
Al-Hujuraat
50
Qaaf
51
Adh-Dhaariyat
52
At-Tur
53
An-Najm
54
Al-Qamar
55
Ar-Rahmaan
56
Al-Waaqia
57
Al-Hadid
58
Al-Mujaadila
59
Al-Hashr
60
Al-Mumtahana
61
As-Saff
62
Al-Jumu'a
63
Al-Munaafiqoon
64
At-Taghaabun
65
At-Talaaq
66
At-Tahrim
67
Al-Mulk
68
Al-Qalam
69
Al-Haaqqa
70
Al-Ma'aarij
71
Nooh
72
Al-Jinn
73
Al-Muzzammil
74
Al-Muddaththir
75
Al-Qiyaama
76
Al-Insaan
77
Al-Mursalaat
78
An-Naba
79
An-Naazi'aat
80
Abasa
81
At-Takwir
82
Al-Infitaar
83
Al-Mutaffifin
84
Al-Inshiqaaq
85
Al-Burooj
86
At-Taariq
87
Al-A'laa
88
Al-Ghaashiya
89
Al-Fajr
90
Al-Balad
91
Ash-Shams
92
Al-Lail
93
Ad-Dhuhaa
94
Ash-Sharh
95
At-Tin
96
Al-Alaq
97
Al-Qadr
98
Al-Bayyina
99
Az-Zalzala
100
Al-Aadiyaat
101
Al-Qaari'a
102
At-Takaathur
103
Al-Asr
104
Al-Humaza
105
Al-Fil
106
Quraish
107
Al-Maa'un
108
Al-Kawthar
109
Al-Kaafiroon
110
An-Nasr
111
Al-Masad
112
Al-Ikhlaas
113
Al-Falaq
114
An-Naas