Abasa - DE KORAN - Harun Yahya
-
1. Hij (Moehammad) fronste en wendde zich af.
-
2. Omdat de blinde tot hem kwam.
-
3. En wat doet jou het weten, misschien wilde hij zich reinigen (van zonden).
-
4. Of zich laten onderrichten en zou het onderricht hem baten.
-
5. Wat betreft degene die zich behoefteloos waant.
-
6. Aan hem schenk jij alle aandacht.
-
7. Terwijl jij niet verantwoordelijk bent als hij zich niet reinigt.
-
8. Maar wat betreft degene die haastig tot jou kwam.
-
9. En hij vreest (Allah).
-
10. Aan hem schenk jij geen aandacht.
-
11. Nee! Voorwaar, het is een Vermaning.
-
12. Laat wie het wil er lering uit trekken.
-
13. (Geschreven) op edele bladen.
-
14. Verheven en gereinigd.
-
15. Door de handen van schrijvers (Engelen).
-
16. Edel, deugdzaam.
-
17. Verdoemd is de mens. Hoe ondankbaar is hij!
-
18. Waaruit heeft Hij hem geschapen?
-
19. Hij heeft hem uit een druppel geschapen en daarna voor hem beschikt.
-
20. Daarna vergemakkelijkt Hij voor hem de Weg.
-
21. Vervolgens doet Hij hem sterven en doet Hij hem begraven.
-
22. Daarop, als Hij het wil, wekt Hij hem op.
-
23. Nee, hij heeft nog niet verricht wat Hij hem opdroeg.
-
24. Laat de mens dan naar zijn voedsel kijken.
-
25. Voorwaar, Wij doen het water in stromen neerkomen.
-
26. Daarna doen Wij de aarde openploegen.
-
27. Dan doen Wij daarin granen groeien.
-
28. En druiven en groenten.
-
29. En olijfbomen on dadelpalmen.
-
30. En dichtbegroeide gaarden.
-
31. En vruchten en weidegras.
-
32. Als een voorziening voor jullie en voor jullie vee.
-
33. En wanneer dan de bazuinstoot komt.
-
34. Op die Dag vlucht de mens van zijn broeder.
-
35. En van zijn moeder en zijn vader.
-
36. En van zijn vrouw en van zijn kinderen.
-
37. Een ieder ven hen zal op die Dag een bezigheid hebben die hem genoeg is.
-
38. Gezichten (van de gelovigen) zullen op die Dag stralen.
-
39. Lachend, verblijd.
-
40. En gezichten (van de ongelovigen) zullen op die Dag met stof bedekt Zijn.
-
41. En een duisternis zal hen omhullen.
-
42. Zij zijn degenen die de zondige ongelovigen zijn.
DEEL
1
Al-Faatiha
2
Al-Baqara
3
Aal-i-Imraan
4
An-Nisaa
5
Al-Maaida
6
Al-An'aam
7
Al-A'raaf
8
Al-Anfaal
9
At-Tawba
10
Yunus
11
Hud
12
Yusuf
13
Ar-Ra'd
14
Ibrahim
15
Al-Hijr
16
An-Nahl
17
Al-Israa
18
Al-Kahf
19
Maryam
20
Taa-Haa
21
Al-Anbiyaa
22
Al-Hajj
23
Al-Muminoon
24
An-Noor
25
Al-Furqaan
26
Ash-Shu'araa
27
An-Naml
28
Al-Qasas
29
Al-Ankaboot
30
Ar-Room
31
Luqman
32
As-Sajda
33
Al-Ahzaab
34
Saba
35
Faatir
36
Yaseen
37
As-Saaffaat
38
Saad
39
Az-Zumar
40
Al-Ghaafir
41
Fussilat
42
Ash-Shura
43
Az-Zukhruf
44
Ad-Dukhaan
45
Al-Jaathiya
46
Al-Ahqaf
47
Muhammad
48
Al-Fath
49
Al-Hujuraat
50
Qaaf
51
Adh-Dhaariyat
52
At-Tur
53
An-Najm
54
Al-Qamar
55
Ar-Rahmaan
56
Al-Waaqia
57
Al-Hadid
58
Al-Mujaadila
59
Al-Hashr
60
Al-Mumtahana
61
As-Saff
62
Al-Jumu'a
63
Al-Munaafiqoon
64
At-Taghaabun
65
At-Talaaq
66
At-Tahrim
67
Al-Mulk
68
Al-Qalam
69
Al-Haaqqa
70
Al-Ma'aarij
71
Nooh
72
Al-Jinn
73
Al-Muzzammil
74
Al-Muddaththir
75
Al-Qiyaama
76
Al-Insaan
77
Al-Mursalaat
78
An-Naba
79
An-Naazi'aat
80
Abasa
81
At-Takwir
82
Al-Infitaar
83
Al-Mutaffifin
84
Al-Inshiqaaq
85
Al-Burooj
86
At-Taariq
87
Al-A'laa
88
Al-Ghaashiya
89
Al-Fajr
90
Al-Balad
91
Ash-Shams
92
Al-Lail
93
Ad-Dhuhaa
94
Ash-Sharh
95
At-Tin
96
Al-Alaq
97
Al-Qadr
98
Al-Bayyina
99
Az-Zalzala
100
Al-Aadiyaat
101
Al-Qaari'a
102
At-Takaathur
103
Al-Asr
104
Al-Humaza
105
Al-Fil
106
Quraish
107
Al-Maa'un
108
Al-Kawthar
109
Al-Kaafiroon
110
An-Nasr
111
Al-Masad
112
Al-Ikhlaas
113
Al-Falaq
114
An-Naas